De jonge heemkring.  
 
In de beginperiode is de Averboodse heemkring ontzettend actief. Tijdens het eerste werkjaar zijn er zowat maandelijks voordrachten en diavoorstellingen in de zgn. Vlaamse Zaal van het prelaatskwartier. Van 16 de-eeuws borduurwerk en oude handschriften over het Kempische landschap en Aarschotse monumenten tot het leven van Ernest Claes: de meest uiteenlopende onderwerpen passeren de revue. In 1975 staat een filmvoorstelling van de Mariachronyke op het programma en exposeert de Aarschotse kunstschilder Juliaan Van Goubergen in de abdij.
 
 
Eind 1976 publiceert het ijverige bestuur een tweede boek: Ontdek mooi Averbode. Het werkje vormt luidens de ondertitel “een kennismaking met het bouwkundige en landschappelijke erfgoed” van het dorp en is net als zijn voorganger onmiddellijk uitverkocht. Intussen wordt naarstig gewerkt aan een groots opgevat project dat de werktitel “50 jaar Averbode” krijgt. Met de nakende gemeentefusies in het vooruitzicht wil de heemkring de geschiedenis van de gemeente Averbode schrijven. Streefdoel is het boek aan het publiek te kunnen voorstellen in 1978, door de overheid als Jaar van het Dorp aangekondigd.
 
 
Het jaar 1977 betekent een ommekeer voor de nog jonge vereniging. Met één pennentrek houdt de gemeente Averbode – na nog geen halve eeuw onafhankelijkheid – op te bestaan. Averbode is op dat ogenblik het enige dorp in de fusiegemeente Scherpenheuvel-Zichem dat een heemkundige kring kent. (Dertig jaar later is die toestand overigens nog steeds ongewijzigd!) 1977 is bovendien het jaar waarin Jan Gerits definitief afscheid neemt van de abdij en van het celibaat; Marcel Van Diest neemt de functie van voorzitter van de heemkring op zich. Secretaresse Renilde Golsteyn-Claes neemt eveneens onverwacht ontslag. Zij wordt opgevolgd door Joris Pironet, die jarenlang de trouwe secretaris van onze vereniging zal zijn.
 
 
Ook in de ledenbladen uit die tijd spreekt een koerswijziging. Niet alleen krijgt het Mededelingenblad een heuse geïllustreerde kaft, ook inhoudelijk verandert er heel wat. “Wij zulllen in de toekomst trachten met onze artikels dichter bij de mensen te staan,” aldus de nieuwe redacteurs wies & çois. “Bijdragen over oude gebruiken, vroegere toestanden en dies meer zullen voortaan meer aan bod komen”. n en dies meer zullen voortaan meer aan bod komen”. Meteen wordt de daad bij het woord gevoegd. Het eerste nummer van 1977 opent met enkele anecdotische nieuwjaarsherinneringen van Fik van Bettes (Victor Claes). Voorts vinden we o.a. een opsomming van liedjes uit de nieuwjaars- en Driekoningensfeer (Leon Laureys) en een exposé over het turfsteken (Wies Vermeulen). Het ledenblad evolueert inderdaad beetje bij beetje van een puur Mededelingenblad naar een volwaardig heemkundig tijdschrift.